Reinhold Messner – Leven op toppen van grenzen
8 mei 1978. Tegen één uur ’s middags wordt een mijlpaal in de geschiedenis van de bergsport bereikt. Tot dan toe werd het fysiek onmogelijk geacht om je op grote hoogten te begeven zonder extra zuurstof. Reinhold Messner bewijst het tegendeel door de top van de Mount Everest, de hoogste berg ter wereld, op eigen kracht te bereiken.
17 augustus 1980. Reinhold Messner laat de wereld opnieuw in verbijstering achter. Wederom beklimt hij de Mount Everest. Dit keer bedwingt hij de berg in de ongunstige moessontijd, solo én via een nieuwe route. Een prestatie die in de huidige bergsport nauwelijks is geëvenaard. Maar Messner legt de lat nog hoger.
16 oktober 1986. Na eerder dat jaar al een route van meer dan duizend kilometer dwars door Tibet te hebben gelopen, bereikt hij de top van de Lhotse. Deze berg is de enige van de veertien toppen boven de 8000 meter die de wereld telt, die nog niet door Messner was beklommen. Een unieke reeks; hij is de eerste die dit voor elkaar krijgt. Messner heeft nu alles beklommen wat er te beklimmen valt. Maar hij is er niet rouwig of voldaan om. Ook buiten de bergsport zijn er grenzen te verleggen.
Reinhold Messner is een moderne avonturier met 3500 beklimmingen, meer dan honderd nieuwe toppen, oversteken van Antarctica, Groenland, Tibet en van vele woestijnen op zijn naam. Naast zijn talrijke expedities heeft hij een klimschool, een sportzaak en verschillende musea opgezet, is hij politicus, schrijver van meer dan dertig boeken, documentairemaker, drager van vele internationale onderscheidingen, boer en ondernemer. Maar bovenal is hij grensverleggend in elk van deze disciplines.
Vanuit het schitterende Vinschgaudal in de Italiaanse Alpen kijk ik omhoog naar Messners huis. Na vele jaren van reizen is hij op deze indrukwekkende locatie neergestreken. Op bijna duizend meter hoogte ligt een middeleeuws slot dat op de punt van een grillige rots is gebouwd en de splitsing vormt van twee dalen.
Enthousiast begin ik aan de beklimming van zijn berg. Drie kwartier later klop ik bezweet op de houten poort. Messner zelf doet de grote deur open. Hij schudt me vriendelijk de hand. Hij glimlacht goedkeurend wanneer ik hem zeg by fair means naar boven te zijn gelopen. Langs levensgrote Tibetaanse beelden lopen we over de binnenplaats van het slot. We gaan zitten op een bankje in de zon.
‘Ik ben inmiddels in mijn zesde leven. En ik geniet er nog dagelijks van.’ Messner is bijna 60 jaar, maar nog steeds een imposante verschijning. Grote baard, fonkelende ogen, lange ruige haren waarbij de enkele grijze haren meer op een rituele tooi lijken dan op een teken van ouderdom. Zijn neus is licht beschadigd door de overmatige blootstelling aan de elementen. Tijdens het gesprek kijk ik vaak naar zijn vingers die zijn lichaam over de meest extreme wanden van de wereld hebben getrokken.
Reinhold wordt geboren op 17 september 1944 in Villnoss, een gehucht in de Dolomieten. Hij groeit op in een gezin van negen kinderen. Al op vijfjarige leeftijd wordt Reinhold door zijn vader meegenomen voor zijn eerste beklimming: een meer dan 3000 meter hoge berg op de grens van de vallei. De ervaring om vanaf de top (over de vertrouwde bergen van zijn eigen dal) naar nieuwe pieken en dalen te kijken, is van grote invloed op de kleine Messner. Hij wordt bevangen door het klimmen. ‘Het was mijn middel om boven de kleine wereld van het dorp te kunnen uitstijgen en mijn nieuwsgierigheid te voeden.’ Vanuit zijn eigen dal begint hij de omgeving te ontdekken. ‘Ik wilde steeds weer over de volgende bergketen heenkijken.’ Elk weekend trekt hij er, samen met zijn broer Gunther, op de Lambretta-scooter van zijn vader op uit, hongerig naar nieuwe toppen. ‘Eerst waren het de toppen zelf die telden, later een moeilijkere route en uiteindelijk ging het erom nieuwe routes te verzinnen.’ Deze volgorde van stappen zal hij in zijn latere leven in andere vormen veel gebruiken.
In de puberteit zijn er geen schoolvakken of meisjes die hem van het klimmen kunnen weerhouden. Op achttienjarige leeftijd klimt hij al de meest extreme wanden van de Dolomieten.
‘Mijn vrije opvoeding is essentieel geweest voor mijn ontwikkeling,’ zegt Messner. Vanaf zijn twintigste hoeft hij zijn vader geen toestemming meer te vragen. Dan kent zijn ambitie geen grenzen meer. Moeilijker, hoger, sneller. Toppen beklimmen, een paar uur slapen en aan de volgende wand beginnen. ‘We speelden niet met ons leven, maar met onze mogelijkheden. We waren op zoek naar nieuwe ervaringen, niet naar gevaar.’ Over de hele Alpen worden de wanden afgestruind. In die periode verricht hij enkele beklimmingen die tot op de dag van vandaag uniek zijn.
Zijn vader probeert hem nog op het vertrouwde pad te houden, en Messner gaat mechanica studeren in Padua. Het komt voor dat zijn broer, omhoog schreeuwend vanaf de voet van de wand, hem erop attendeert dat vandaag de laatste dag voor inschrijving voor het nieuwe studiejaar is.
Vanaf zijn 23ste besluit hij om zich volledig te richten op ‘vrij klimmen’. Dit houdt in dat er bij de beklimming van de wand alleen gebruik gemaakt mag worden van de meest essentiële onderdelen: handen, voeten, vorm van de rots en touw. ‘De verhouding tussen mens en berg mag niet verstoord worden. Door het gemak van hulpmiddelen wordt de mens niet gestimuleerd om tot het uiterste te gaan.’
Op 25-jarige leeftijd heeft hij de Alpen volledig uitgeplozen met meer dan vijftig nieuwe routes op de moeilijkste wanden. Hij is klaar voor het grote werk en wordt uitgenodigd om met een Duitse expeditie naar de Himalaya af te reizen. Zijn broer en trouwe klimpartner Gunther gaat met hem mee.
Doel van de missie is de nooit eerder beklommen Rupal-wand van de Nanga Parbat, een 8041 meter hoge berg in Pakistan. Deze wand gaat bijna vijfduizend meter steil omhoog. Het lijkt onmogelijk, maar op de jonge Messner werkt dat als een rode lap. Halverwege de beklimming komt vanuit het basiskamp de melding dat er slecht weer op komst is. Messner gaat in zijn eentje verder omhoog. Maar aan het einde van de dag ziet hij een stip onder zich. Het is zijn broer Gunther, die dit eerste internationale hoogtepunt met hem wil delen. Samen beklimmen ze de loodzware wand. Volkomen uitgeput omhelzen ze elkaar op de top. Het absolute hoogtepunt van hun vijftienjarige, intense broederband in de bergen. Zonder te hebben geslapen die nacht dalen ze de volgende dag af. Bijna onder aan de berg aangekomen, verliest Reinhold zijn broer plots uit het oog. Bij het teruglopen ziet hij de sporen van een recente ijslawine. Zijn wanhopige zoektocht blijft zonder resultaat. In een roes loopt hij de berg op en af, op zoek naar een teken. Hij verliest besef van tijd en plaats en zwalkt dagen rond in het ijle hooggebergte. Compleet uitgeput door de hoogte, het slaap-, vocht- en voedingstekort geeft Messner de strijd op. Met zijn laatste krachten bereikt hij een kleine herdernederzetting. Met een brancard van gevlochten touw wordt hij naar het dichtstbijzijnde dorp gebracht, waar toevallig net de overige expeditieleden aankomen op hun terugweg. Acht dagen sinds het laatste radiocontact hadden ze de hoop op leven opgegeven.
Door deze ervaring ziet Messners leven er opeens heel anders uit. Zes geamputeerde tenen, geen geld, geen vaste klimpartner en geen expeditie. Boven alles voelt hij de enorme schuld over de dood van zijn broer.
Om geld te verdienen wordt hij wiskundeleraar. Maar het lukt hem niet het normale leven op te pakken: ‘Mensen hebben van nature geen beroep, hoogstens een roeping.’ Hij wil vrij zijn. Na een jaar besluit hij om terug te gaan naar Nanga Parbat om zijn broer te zoeken. Zonder resultaat. Wel leert hij langzaam Gunthers dood te accepteren. Dit tweede bezoek aan de overweldigende Himalaya wekt zijn honger weer. Hij beseft dat hij met nog maar vier tenen nooit meer de rotsklimmer zal worden die hij was. Daarom zet hij zijn zinnen op het hooggebergte. Zijn tweede leven gaat beginnen.
Messner beseft dat hij niet het geijkte pad zal volgen dat zijn vader voor hem had uitgestippeld. Hij concentreert zich volledig op het klimmen in het hooggebergte, met succes. ‘Niet om te bewijzen wie de sterkste was. Overwinning of nederlaag telde niet, alleen de strijd zelf.’ Hij is onderdeel van geslaagde expedities naar ‘achtduizenders’, steeds vaker met hem als voorman voor de top. ‘Bij klimmen is het net als bij het leven belangrijk het ondenkbare te overwegen. Het toeval zijn gang te laten gaan en daar op het goede moment van te profiteren.’ Net als bij het rotsklimmen neigt hij naar steeds minimalere werkomstandigheden: ‘Afzien van uiterlijke zekerheden vergroot de innerlijke zekerheid.’ Kleinere expedities, minder hulpmiddelen, met als grootste uitdaging solo gaan, waarbij elke fout fataal kan zijn. ‘Solo is als verliefd zijn. Je verliest je verstand en als je halverwege bent kun je niet ophouden.’
Om zichzelf fysiek en geestelijk maximaal te trainen gebruikt Messner onorthodoxe methodes. De Kilimanjaro is voor hem een geschikte fitnesslocatie om sprintjes op te trekken. Eenmaal daar kan hij het niet laten en passant een maagdelijke, gevreesde ijswand met succes te beklimmen. Ter voorbereiding op de K2 doorkruist hij de Sahara via enkele onbedwongen toppen in het Hoggar-gebergte.
Messner wil meer. Dingen doen die anderen niet doen. Grenzen verleggen. Als eerste duo-expeditie op achtduizenders, als eerste solo achtduizenders, als eerste traverse tussen twee achtduizenders, als eerste hattrick van achtduizenders, als eerste zonder zuurstof, als eerste de veertien achtduizenders van de wereld, als eerste de Seven Summits (de hoogste bergen van de zeven continenten) via nieuwe routes. Er lijkt geen einde te komen aan het continu oprekken van het mogelijke. Met als absoluut hoogtepunt de nog steeds onvoorstelbare solobeklimming van de Everest.
Wanneer ook een andere broer tijdens het klimmen overlijdt, belooft Messner zijn moeder dat hij na het behalen van de laatste twee achtduizenders stopt met klimmen in het hooggebergte. Met het voltooien van de reeks is de spanning ook wel weg. ‘De ene droom vervangt geleidelijk de andere.’ Al op de top stelt hij zich nieuwe doelen. Hij begint aan zijn derde leven.
Messners fascinatie voor de stilte, de harmonie en het ongewisse van afgelegen plekken trekt hem verder naar uitgestrekte vlakten. ‘Naast de boog tussen geboorte en dood, is er ook een boog tussen het onbekende en het bekende. Ervaringen opdoen is wat telt, is wat ervoor zorgt dat je op pad blijft. Het reizen is een resultaat op zich. Avontuur is niet verre valleien en hoge toppen, maar de bereidheid eigen huis en haard te verlaten voor een onzeker reisdoel.’
Hij steekt de Sahara over, de hoogvlakte van Tibet en de immense woestijn van de Takla Makan, en doorkruist Antarctica, op dezelfde manier als zijn idool Shackleton. Wederom met zo min mogelijk hulpmiddelen.
In 1995 breekt Messner zijn voet na een val van een vier meter hoge muur. Door de complexiteit van de breuk moet hij voor de rest van zijn leven afzien van extreme lichamelijke inspanningen. Maar dat is niet het einde. Er zijn nog genoeg grenzen te verleggen buiten fysieke prestaties. Zijn vierde leven breekt aan.
Tijdens zijn expedities over de verschillende continenten is Messner met vele culturen in aanraking gekomen. Zo heeft hij bergvolkeren uitgebreid bestudeerd en heeft hier ook boeken over geschreven. Nu bijt hij zich vast in mythen uit en over de bergen. Met een combinatie van literatuuronderzoek, gesprekken met plaatselijke inwoners, discussies met specialisten en eigen ervaringen benadert hij de mythen van de sneeuwman Yeti en Mallory’s beklimming van de Everest vanuit een nieuwe invalshoek. Zijn inzichten worden geplaatst in gerenommeerde tijdschriften als National Geographic en gepubliceerd in de boeken My quest for the Yeti en The second death of George Mallory. Het wordt tijd voor een volgend leven, zijn vijfde.
In 1998 wordt Messner zonder partij gekozen om voor de Italiaanse Groenen zitting te nemen in het Europees Parlement. ‘In de loop der jaren ben ik steeds meer tot de conclusie gekomen dat het om de mensen in de bergen moet gaan, in plaats van de wanden en toppen.’ Verder houdt hij zich bezig met milieuvraagstukken, de autonomie voor Tibet en het bewustzijnsproces voor de eenwording van Europa. ‘Tijdens het klimmen heb je maar één doel: de top. In de politiek is het juist van belang om je blik open te houden en in overleg je doelen aan te passen, om samen stap voor stap verder te komen. Maar ook hierin zie ik het als een uitdaging grenzen te verleggen.’ Volgend jaar loopt Messners termijn af, maar hij vindt dat zijn taak er nog niet op zit.
Intussen is hij aan een zesde leven begonnen. Hij heeft zich als doel gesteld binnen de Dolomieten-regio een reeks musea op te richten. Het centrale thema is bergen, met verschillende invalshoeken als de kunst, geologie, antropologie, geschiedenis en recreatie. Er zijn nu al twee musea te bezoeken. Voor de andere drie musea moet Messner nog veel hordes nemen. ‘Voor mij is dat alleen maar een uitdaging. De grens van het maakbare is alleen in kleine stapjes te bereiken. Hoe dichter je bij de grens bent, hoe kleiner de stapjes worden. Als je eenmaal bij de grens bent, kunnen we allemaal verder. Als we maar willen.’
Een van de twee reeds geopende musea is zijn eigen kasteel: het slot Juval. In de lente en herfst is het opengesteld als museum. Hij heeft het bijna achthonderd jaar oude slot in 1983 als een bouwval gekocht. Zijn oog was gevallen op de leus van het slot: Vinciturus vincero, zij die voor de overwinning bestemd zijn, zullen overwinnen. Na een ingrijpende renovatie is het slot in de loop der jaren een centrum voor verschillende activiteiten geworden. Het kasteel bevat een bijzondere kunstverzameling van Renaissance-schilderijen, Tibetaanse beelden, rituele tapijten en nomadenjuwelen uit het Nabije- en Midden-Oosten.
Wijnranken, boomgaarden en weiden bedekken de wanden van de berg. Messner heeft een biologische boerderij opgezet met behalve schapen, paarden en kippen ook dieren van de landen die hij bezocht heeft, zoals lama’s, yaks en Afrikaanse geiten.
Messner geeft aan dat zijn zes levens gescheiden zijn omdat hij zich maar op één onderwerp tegelijk kan richten. Maar dan wel met volle overgave. ‘Je moet ergens in geloven, het durven te doen en over een paar jaar heen durven te kijken. De mate van overgave is gelijk aan de mate van het succes. Maar als het enthousiasme weg is, moet je ook het lef hebben om iets los te laten.’
Hij heeft nergens spijt van. Hij onderschrijft de uitspraak van Max Frisch dat wanneer je een situatie zou mogen overdoen, iedereen toch weer dezelfde fouten zou maken: ‘Eigenlijk is er ook geen verschil of iets wel of niet lukt, zolang je het maar vol overgave doet. Succes is maar een relatief begrip. Soms kan je een fout maken, maar juist daardoor op de langere termijn een zeer succesvol leven hebben. Ik heb meer geleerd van mijn falen dan van mijn successen.’
Messner hoopt dat er nog vele levens zullen volgen. Hij zit boordevol nieuwe ideeën. Over de inhoud laat hij weinig los. ‘Woorden betekenen voor mij niet veel, het is pas tastbaar als er iets reëels gebeurd. En zelfs dan kun je vraagtekens zetten bij hoe zinvol het is.’
Soms heeft hij de behoefte om weer bij nul te beginnen. ‘Gewoon met een hut op de vlakte, en dan maar zorgen dat je overleeft. Dat maakt het leven helder. Het doet je beseffen wat belangrijk is. Een slok water, een beschutte slaapplaats of een goed gesprek.’
‘Doen is het middelpunt van mijn leven. In tegenstelling tot ‘hebben’ verveelt ‘doen’ je nooit; pas in het doen weet ik wat goed en fout is.’ Zijn conclusie is simpel: ‘Je bent wat je doet.’
Nog steeds staat Messners leven in het teken van ‘doen’. Slechts twee maanden in het jaar verblijft hij op zijn vaste plek, slot Juval. De rest van het jaar is hij op pad. Een druk programma van lezingen en conferenties, soms in sportstadions met tienduizend mensen. Hij pendelt op en neer tussen Straatsburg en Brussel voor zijn politieke werkzaamheden. Ondanks zijn leeftijd en verminderde fysieke capaciteiten onderneemt hij nog steeds kleine expedities. Het afgelopen voorjaar is hij bijvoorbeeld nog op Franz Jozefland bij Spitsbergen geweest om de expeditie van Fridtjof Nansen te bestuderen.
‘Ik voel me nog steeds een nomade. Met het verschil dat ik nu een rustpunt heb van waaruit ik zwerf. Dat rustpunt is hier op het slot Juval met mijn gezin.’ Hij is getrouwd met Sabine en ze hebben twee kinderen, Magdalena en Segar, genoemd naar een Tibetaanse koning uit een sage. Op sommige reizen gaat het gehele gezin mee, afhankelijk van de bestemming. Messners keuze voor het slot Juval lijkt definitief. Hij heeft zijn chorten, Tibetaanse graftombe, al geplaatst op de grillige rots. Hier, thuis in de Italiaanse Alpen, hoopt hij zijn eeuwige rust te vinden. Maar nadenken over een leven na de dood vindt Messner zinloos. ‘Dood is iets anders dan sterven. Sterven doe je gedurende je hele leven een klein beetje. De dood heb ik alleen gevoeld op de hellingen van Nanga Parbat.’ Hij voelt geen angst voor het einde. ‘Je geest stopt, maar het leven gaat door.’ Hij noemt zichzelf een pantheïst, net als zijn leermeesters Goethe en Milarepa. ‘Het is onzin om de ene mens, berg of idee heiliger te beschouwen dan andere. Ik denk dat het leven overal even bijzonder is.’
Terugkijken op zijn leven doet hij liever niet. ‘Het leven wordt meer door het bewustzijn gevormd dan door de omstandigheden. Er is geen waarheid, alleen maar feiten, maar zelfs die zijn voor iedereen anders te interpreteren.’ De cruciale stappen in zijn leven kan hij wel aanwijzen. ‘Belangrijke momenten zijn alle grensmomenten geweest, beslissingen die me hebben gebracht waar ik nu ben. Nanga Parbat heeft me het gevoel van een tweede leven gegeven. Sindsdien heb ik me overgeleverd aan het lot en zijn alle twijfels verdwenen. Ik denk dat het een goede ontwikkeling is geweest. Met twijfels kom je niet op de top, daar verleg je geen grenzen mee.’
In Tibet denken ze dat de bergbeklimmers omhoog gaan om goud en diamanten te zoeken, de Dani op Irian Jaya denken dat er vrouwen in de eeuwige sneeuw leven. Voor Messner is het niet altijd zo helder geweest. ‘Het fanatisme ontneemt op een gegeven moment je innerlijke vrijheid. De paradox om de berg op te gaan om niet te willen sterven. Het concentreren op het niet-sterven geeft een enorme uitdaging en kracht.’ De angst speelt bij elke expeditie ook een grote rol. ‘De angst houdt me scherp, zonder angst zou een expeditie me nooit uitdagen.’ Ook tijdens de expeditie blijft de angst bestaan. ‘Boven de achtduizend meter overheerst de angst alles. Het geluksgevoel op de top is maar een flits; direct voel je de drang om weer terug te gaan naar de levende wereld onder de wolken.’ De terugkomst is een essentieel onderdeel van de expeditie. ‘Je gaat weg om terug te komen. Het hoogtepunt van de expedities ligt in het thuiskomen. Het is een soort hergeboorte, die op geen enkele andere manier ervaren kan worden.’
Toch bleek de overgang naar thuis soms groot. Na dagen van eenzaamheid tussen het ijs en het gruis ging hij bij terugkomst soms door de anonieme massa in de winkelstraten lopen. ‘Je eenzaamheid met die van anderen delen maakt het leed soms makkelijker te dragen. Vrijheid kent opoffering, maar geen grenzen.’
Geluk is volgens Messner belangrijk, maar niet essentieel. ‘Geluk is een factor die een grote sprong kan begeleiden, maar niet kan dragen.’ Voor Messner voelt het geluk niet altijd positief. ‘Soms voel ik me schuldig tegenover mijn broers en tegenover collega’s dat ik het geluk heb gehad in leven te blijven.’
Messner vindt de toekomst alleen zinvol om zeer beperkt vooruit te kijken en daar vervolgens concreet naar te handelen. ‘Het merendeel van de menselijke discussies zijn maar hypothesen. Eindeloze speculaties over de verre toekomst zijn zonde van de kostbare tijd.’ Wel hanteert Messner criteria voor zijn toekomstige ondernemingen: ecologisch schoon, energiebesparend en humaan. ‘De toekomst van de mensheid is onthouding, vooral van het materiële. De kunst van het weglaten is de basis van succes.’ Daarin kan creativiteit een grote rol spelen, een kwaliteit waar Messner als klimmer om werd geroemd. ‘Creativiteit is durven, spelen en dobbelen. Om tot nieuwe combinaties te komen moet ik niks aannemen. Als je voor iets groots gaat, moet je ook het lef hebben om te verliezen.’
Creativiteit is nauw verweven met de realisatie van plannen. ‘Het realiseren van plannen begint met de ideeën, erover denken, visualiseren. Succes komt niet van bovenaf, dat moet je uit jezelf ontwikkelen.’
Succes is voor Messner heel persoonlijk. ‘Elk individu heeft zijn eigen kracht en capaciteiten waarmee hij zijn specifieke pad moet volgen. Het probleem is dat iedereen zich vergelijkt met ideaalbeelden van media, vrienden of kerk. Het gevaar is dat aanpassen makkelijker is dan jezelf blijven. Concentreer op jezelf en al doende vorm je jouw eigen leven. Iedereen heeft grenzen die hij kan verleggen.’
Steven van de Vijver (Hamburg, 1977) heeft tijdens zijn studie geneeskunde langere tijd in Ethiopië, India, Australië en de Verenigde Staten gewerkt en daarover gepubliceerd in diverse tijdschriften...
Thijs Niemantsverdriet (1978) is sinds 2004 redacteur van Vrij Nederland. Hij studeerde geschiedenis in Amsterdam en Oxford en woonde in Florence. Tijdens zijn studententijd was hij lid van het cabaretgezelschap Schering en Inslag, waarmee hij in de finale stond van het Leids Cabaret Festival...
Tijn Touber (1960) is schrijver en componist. Hij is oprichter van popgroep Lois Lane en schreef enkele van hun hits. Hun debuutalbum bereikte de eerste plaats van de Album Top 100 en verkocht meer dan 100.000 stuks. Na dit muzikale avontuur trok hij zich terug om zich toe te leggen op bewustzijnsontwikkeling...
Tijdens en na zijn studie Nederlandse Taal- en Letterkunde werkte Willem van Leeuwen (1959) als correspondent en journalist bij het Amstelveens Weekblad. Daarna was hij onder meer werkzaam voor Twentsche Courant Tubantia....
Wil jij ook een interview met jouw held publiceren? Word schrijver voor Moderne Helden